Parasja·Project

BesjallachBeschalach 16

Dit hoofdstuk in alle drie de leeftijdsdelen. Kies hierboven een deel; de streep eronder zegt wat er klaar is en wat nog niet. Onder „Bladzijden” ziet u de tekst en het beeld zoals ze op de bladzijde naast elkaar komen — de indeling mag nog veranderen, de beelden blijven. Dieses Kapitel in allen drei Altersstufen. Wählen Sie oben einen Band; der Streifen darunter sagt, was fertig ist und was nicht. Unter „Seiten“ sehen Sie Text und Bild so, wie sie auf der Seite nebeneinander kommen — die Aufteilung darf sich noch ändern, die Bilder bleiben.

Dit deel is nog niet compleet.Dieser Band ist noch nicht vollständig.

  • ✓Teksten NL + DETexte NL + DE
  • ✓BladindelingSeitenaufteilung 8
  • ✓Alle tekstkadersAlle Textkästen 8/8
  • ✓BeeldbeschrijvingenBildbeschreibungen 8/8
  • ○Beelden gemaaktBilder erstellt 0/8

De tekst is er al; de bladindeling voor dit deel volgt nog. Zo leest u het hoofdstuk alvast in zijn geheel. Der Text liegt vor; die Seitenaufteilung für diesen Band folgt noch. So lesen Sie das Kapitel schon im Ganzen.

Brood uit de Hemel

Na 210 lange jaren van ellende en slavernij pakten de Bnee Jisra'eel hun koffers. Zij vertrokken snel uit Mitsraim. Ze namen allemaal goud, zilver en kleren mee, die de Mitsriem hun gaven.

Ik denk dat er wel 3 miljoen mensen uit Egypte trokken. Er waren 600 duizend mannen, dus waren er ook nog 600 duizend vrouwen. En dan waren er ook nog heel veel kindertjes onder de 20 jaar en heel veel ouderen boven de 60 jaar.

Lange tijd daarvoor had Hasjeem aan Avraham beloofd dat zijn kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen zoveel zouden worden als de sterren aan de hemel. Dat was dus nu bij de jetsiat Mitsraim uitgekomen.

Er gingen zelfs Mitsriem mee, omdat zij geloofden dat Hasjeem hen zou beschermen wanneer ze met de Joden zouden meetrekken.

Mosje nam ook de beenderen van Joseef, de vroegere onderkoning, met hem mee. Want Joseef had de Bnee Jisra'eel gevraagd om die mee te nemen wanneer ze zouden vertrekken uit Mitsraim. Zijn kinderen en kleinkinderen hadden hem beloofd dat zij Joseef zouden begraven in Israël.

De Joden trokken door de woestijn. G'd stuurde een grote wolk om hen overdag door de woestijn te leiden, want nergens stonden bordjes hoe ze moesten lopen. En 's nachts was er een grote vuurzuil om hen in het donker de weg te wijzen.

Toch liepen de Bnee Jisra'eel niet direct naar het land Kena'an, Erets Jisra'eel. De Bnee Jisra'eel moesten soms terug lopen naar Mitsraim!

Maar ze kregen dorst in de woestijn, want het was heel heet. Toen zei Hasjeem tegen Mosje: „Neem je stok en haal iedereen bij elkaar bij een grote rots. Sla dan op de rots en er zal dan heel veel water uitkomen voor het hele volk." Dit was de rots van Mirjam, de zuster van Aharon en Mosje.

Toch was Hasjeem niet erg tevreden met de Bnee Jisra'eel: die klaagden maar de hele tijd en probeerden de hele tijd te kijken hoe ver ze konden gaan met Hasjeem.

Korte tijd daarna werden de Bnee Jisra'eel aangevallen door een heel gemeen volk, Amaleek. Jehosjoe'a werd de generaal, die het volk in de oorlog leidde. Mosje ging op een rots staan davvenen met zijn handen in de lucht. Aharon en Choer steunden de handen van Mosje, want die kon zijn handen niet zo lang omhoog houden.

**Manna uit de Hemel**

Daarna hadden de Bnee Jisra'eel geen eten. Hasjeem liet toen het **Manna** vallen uit de Hemel. Welke beracha zeiden ze over het Manna? ***Hamotsie lechem min Hasjamajiem!***

De Bnee Jisra'eel kregen dus Manna in plaats van brood in de woestijn. Dat Manna viel iedere dag weer uit de Hemel. Zij kregen iedere dag weer vers Manna uit de Hemel, omdat dit lekkerder en verser was. Zo hoefden ze dat Manna niet mee te dragen op hun lange woestijnreizen. Dat spaarde ze veel dragen in die hitte.

In het Manna kon je alle smaken proeven die je maar wilde. Als jij er een aardbeienijsje in wilde proeven, proefde je dat ook!

Iedereen kreeg iedere dag 1 Omer of 2 kilo van dat Manna. Maar op vrijdag kreeg iedereen twee porties, omdat er op Sjabbat geen Manna viel.

Op zondag, maandag, dinsdag, woensdag en donderdag mocht je niets van het Manna overlaten voor de volgende dag. Maar op vrijdag viel er een extra portie, die je juist wél moest overlaten voor Sjabbat.

Sommige mensen geloofden Hasjeem niet en lieten toch Manna over voor de volgende dag. Ze wilden uittesten of Hasjeem gelijk had. Maar je begrijpt, dat Hasjeem ingreep. Iedereen die Manna had overgelaten tot de volgende dag schrok vreselijk: er kwamen allemaal wormen uit het Manna en het stonk.

Het Manna was wit en smaakte als koek met honing. Het moest binnen 24 uur worden gegeten. Zodra de zon erop scheen, begon het te smelten. Gedurende de hele woestijnreis, veertig jaar lang, aten de Bnee Jisra'eel het Manna.

Voordat het Manna viel, veegde een noordenwind de woestijngrond schoon. Daarna viel er regen en werd het schoongewassen. Vervolgens viel er dauw, dat hard werd door de wind, zodat het kon dienen als de tafel voor het Manna, dat uit de Hemel viel. Dit Manna werd weer bedekt door een tweede laag dauw, om het te beschermen tegen insecten en ongedierte.

Weet je nog, de sterren boven Avraham? Zoveel zouden zijn kinderen worden. Nu, onderweg uit Egypte, waren het er zoveel dat niemand ze meer kon tellen.

… dat Hasjeem de Jam Soef spleet toen de Bnee Jisra'eel ervoor stonden — en dat er **niet één** pad ontstond, maar **twaalf**? Voor iedere stam één. *(16b)*

… dat ze aan de oever eerst ruzie hadden over wie het eerst in de zee zou springen? Nachsjon ben Aminadav sprong als eerste — en toen ging de zee uit elkaar. *(16b)*

… dat Mirjam een tof pakte en met de vrouwen zong om Hasjeem te bedanken? Dat lied heet de *sjirat hajam*, het lied van de zee. *(16b)*

… dat de Bnee Jisra'eel, toen ze dat witte spul op de grond zagen, tegen elkaar zeiden: „wat is het?" — en dat „wat?" in het Ivriet **„man"** is? Daar komt de naam vandaan. *(16c)*

**Chaim vraagt:** „Waarom viel het Manna eigenlijk iedere dag opnieuw? Eén keer voor de hele week was toch veel makkelijker geweest."

**Ariella:** „Omdat vers lekkerder is. En omdat ze het dan niet hoefden te dragen. Stel je veertig jaar woestijn voor — met een zak brood op je rug, in die hitte!"

**Eli:** „Ik denk dat er nog iets was. Wie 's ochtends zijn tent uit komt en niets heeft, moet iedere ochtend opnieuw vertrouwen dat Hasjeem aan hem denkt. Precies dát wilden sommigen niet. Zij lieten wat over — en de volgende ochtend zat het vol wormen."

**Chaim:** „En op vrijdag lag er een dubbele portie. Toen wist iedereen: aan Sjabbat was al gedacht, nog voordat hij begon."

Je komt 's ochtends je tent uit. De dauw trekt op en de hele grond is wit. Wat vraag jij als eerste?

Sjabbat Sjalom!

Brot vom Himmel

Nach zweihundertzehn langen Jahren voller Not und Sklaverei packten die Bnej Jisrael ihre Koffer. Schnell zogen sie fort aus Ägypten. Gold, Silber und Kleider nahmen sie mit — die Ägypter gaben es ihnen.

Ich glaube, es waren wohl drei Millionen Menschen, die aus Ägypten zogen. Sechshunderttausend Männer waren dabei — und ebenso viele Frauen. Und dazu sehr viele Kinder unter zwanzig Jahren und sehr viele Alte über sechzig.

Lange vorher hatte Haschem dem Awraham versprochen: Deine Kinder und deine Enkel und deren Kinder werden einmal so viele sein wie die Sterne am Himmel. Jetzt, beim Auszug aus Ägypten, war es so gekommen.

Sogar Ägypter zogen mit. Sie glaubten, Haschem werde auch sie beschützen, wenn sie mit den Juden mitgingen.

Mosche nahm die Gebeine Josefs mit, des früheren Vizekönigs. Denn Josef hatte die Bnej Jisrael darum gebeten: Wenn ihr einmal aus Ägypten fortzieht, nehmt mich mit. Seine Kinder und Enkel hatten es ihm versprochen — in Israel sollte er begraben werden.

Die Juden zogen durch die Wüste. In der Wüste steht nirgends ein Schild, das den Weg zeigt. Darum schickte G'tt am Tag eine große Wolke, die vor ihnen herzog. Und in der Nacht war da eine große Feuersäule, die ihnen im Dunkeln den Weg wies.

Trotzdem liefen die Bnej Jisrael nicht geradewegs in das Land Kenaan. Manchmal mussten sie sogar ein Stück zurücklaufen, auf Ägypten zu!

In der Wüste war es sehr heiß, und sie bekamen Durst. Da sagte Haschem zu Mosche: „Nimm deinen Stock. Ruf alle zusammen bei einem großen Felsen. Schlag auf den Felsen — dann kommt Wasser heraus für das ganze Volk." Das war der Felsen Mirjams, der Schwester von Aharon und Mosche.

Und doch war Haschem nicht sehr zufrieden mit den Bnej Jisrael. Sie klagten die ganze Zeit. Und die ganze Zeit probierten sie aus, wie weit sie bei Haschem gehen konnten.

Kurz darauf wurden die Bnej Jisrael von einem sehr gemeinen Volk angegriffen: von Amalek. Jehoschua wurde der General, der das Volk in den Krieg führte. Mosche stieg auf einen Felsen und betete mit den Händen in der Luft. So lange konnte er die Hände gar nicht oben halten — darum stützten Aharon und Chur ihm die Arme.

**Manna vom Himmel**

Danach hatten die Bnej Jisrael nichts mehr zu essen. Da ließ Haschem das **Manna** vom Himmel fallen. Welche Beracha sagten sie über das Manna? ***Hamozi lechem min haschamajim*** — das heißt: Er bringt Brot aus dem Himmel hervor!

Statt Brot bekamen die Bnej Jisrael also Manna in der Wüste. Jeden Tag fiel es neu vom Himmel. Jeden Tag frisches Manna — denn frisch war es leckerer. Und so mussten sie es auf ihren langen Wüstenreisen nicht mitschleppen. Das sparte ihnen viel Tragen in der Hitze.

Im Manna konntest du jeden Geschmack schmecken, den du wolltest. Wolltest du ein Erdbeereis darin schmecken — dann schmecktest du auch ein Erdbeereis!

Jeder bekam jeden Tag ungefähr zwei Kilo Manna. Freitags aber bekam jeder zwei Portionen, denn am Schabbat fiel kein Manna.

Von Sonntag bis Donnerstag durfte niemand etwas vom Manna für den nächsten Tag übrig lassen. Nur am Freitag fiel die zusätzliche Portion — und die musste man gerade übrig lassen, für den Schabbat.

Manche Menschen glaubten Haschem nicht und ließen trotzdem etwas übrig. Sie wollten ausprobieren, ob Haschem recht hatte. Aber du verstehst schon: Haschem griff ein. Wer Manna bis zum nächsten Morgen übrig gelassen hatte, erschrak fürchterlich. Aus dem Manna kamen lauter Würmer, und es stank.

Das Manna war weiß und schmeckte wie Kuchen mit Honig. Innerhalb von vierundzwanzig Stunden musste es gegessen sein. Sobald die Sonne darauf schien, fing es an zu schmelzen. Die ganze Wüstenreise lang, vierzig Jahre, aßen die Bnej Jisrael das Manna.

Und bevor das Manna fiel, fegte ein Nordwind den Wüstenboden sauber. Dann fiel Regen, und der Boden wurde gewaschen. Danach fiel Tau, und der Wind machte ihn hart — so hatte das Manna einen Tisch, auf den es aus dem Himmel fallen konnte. Über das Manna aber legte sich noch eine zweite Schicht Tau, damit keine Insekten und kein Ungeziefer daran kamen.

Weißt du noch, die Sterne über Awraham? So viele sollten seine Kinder einmal werden. Jetzt, auf dem Weg aus Ägypten, waren es so viele, dass niemand sie mehr zählen konnte.

… dass Haschem das Schilfmeer teilte, als die Bnej Jisrael davorstanden — und dass **nicht ein** Weg entstand, sondern **zwölf**? Für jeden Stamm einer. *(16b)*

… dass sie am Ufer erst stritten, wer als Erster ins Wasser springen sollte? Nachschon ben Aminadaw sprang — und da ging das Meer auseinander. *(16b)*

… dass Mirjam eine Trommel nahm und mit den Frauen sang, um Haschem zu danken? Und dass dieses Lied einen eigenen Namen hat: das Lied vom Meer. *(16b)*

… dass die Bnej Jisrael, als sie das Weiße auf der Erde liegen sahen, zueinander sagten: „Was ist das?" — und dass „Was?" auf Hebräisch **„Man"** heißt? Daher kommt der Name. *(16c)*

**Chaim fragt:** „Warum fiel das Manna eigentlich jeden Tag neu? Einmal für die ganze Woche wäre doch viel einfacher gewesen."

**Ariella:** „Weil frisch besser schmeckt. Und weil sie es dann nicht tragen mussten. Stell dir vierzig Jahre Wüste vor — mit einem Sack Brot auf dem Rücken, bei dieser Hitze!"

**Eli:** „Ich glaube, da war noch etwas. Wer morgens aus dem Zelt kommt und nichts hat, muss jeden Morgen neu darauf vertrauen, dass Haschem an ihn denkt. Genau das wollten manche nicht. Sie ließen etwas übrig — und am nächsten Morgen war es voller Würmer."

**Chaim:** „Und am Freitag lag die doppelte Portion da. Da wusste jeder: Der Schabbat war schon mitgedacht, bevor er kam."

Du kommst am Morgen aus dem Zelt. Der Tau hebt sich, und der ganze Boden ist weiß. Was fragst du als Erstes?

Schabbat Schalom!

Dit deel is nog niet compleet.Dieser Band ist noch nicht vollständig.

  • ✓Teksten NL + DETexte NL + DE
  • ○BladindelingSeitenaufteilung
  • ○Alle tekstkadersAlle Textkästen
  • ○BeeldbeschrijvingenBildbeschreibungen
  • ○Beelden gemaaktBilder erstellt

De tekst is er al; de bladindeling voor dit deel volgt nog. Zo leest u het hoofdstuk alvast in zijn geheel. Der Text liegt vor; die Seitenaufteilung für diesen Band folgt noch. So lesen Sie das Kapitel schon im Ganzen.

Twee kisten door de woestijn

„Hasjeem zal zeker naar jullie omzien en dan zullen jullie mijn botten van hier met jullie meenemen naar Israel." Dat had Joseef de Bnee Jisra'eel plechtig laten zweren. En Mosje nam de botten van Joseef mee (Sjemot 13:19).

Er zijn verschillende redenen waarom de Tora vertelt dat de Bnee Jisra'eel Joseefs botten meenamen uit Egypte.

Na de uittocht uit Egypte zouden ze de Tora krijgen. Maar de mensen wilden de Tora niet, omdat ze dachten dat de Tora veel te moeilijk was. Ook de Joden dachten zo. Maar Joseef was het bewijs dat wij de Tora wél kunnen houden. Joseef was in staat de verleidingen van Soelaika, de vrouw van Potifar, te weerstaan. Hij was het bewijs dat je naar de Tora kan luisteren, ook als het heel moeilijk wordt. Karaktersterkte!

Gedurende de veertigjarige reis door de woestijn droeg het volk **twee Arken** met zich mee. De ene Arke bevatte de twee Stenen Tafelen en de Tora, en de andere de beenderen van Joseef. De mensen zeiden: „Die ene (Joseef) heeft vervuld wat in de andere voorgeschreven staat."

Bovendien voelden de voormalige slaven zich minderwaardig, omdat ze zo lang slaven waren geweest van Farao. De koninklijke kist van Joseef gaf aan hen hun trots terug, omdat dit liet zien dat de Joden van adellijke afstamming waren. Awraham, Jitschak en Ja'akov — die als koningen werden geëerd in Kena'an — waren immers hun voorouders!

Maar de belangrijkste reden om over de ‚beenderen van Joseef' te vertellen was om te voorkomen dat de Joden in Egypte zouden willen blijven. Want de Egyptenaren gingen hen — na de tiende plaag — eindelijk als gewone medeburgers behandelen en ze benaderden hen als vrienden.

Inderdaad: kort na de uittocht — bij de eerste hindernis — riep het volk direct:

„Waren er soms geen graven in Egypte, dat u ons hebt meegenomen om te sterven in de woestijn? Wat hebt u ons aangedaan door ons uit Egypte te leiden?" (Sjemot 14:11)

Mosje liet hun toen de kist van Joseef zien en zei: „Kijk hoe de Egyptenaren Joseef hebben behandeld. Hij heeft ze gered van een zware hongersnood. Onder zijn leiding werd Egypte een welvarend land. Toch hebben de Egyptenaren zijn kinderen en kleinkinderen tot slaven gemaakt. Moeten wij zulke ondankbare mensen vertrouwen?!"

Weet je nog hoe Joseef aan het eind van zijn leven de Bnee Jisra'eel liet zweren? Nu, bij het vertrek, werd die eed ingelost — na vele generaties.

… de Bnee Jisra'eel **gewapend** uit Egypte trokken, maar dat ze toch niet direct naar het land van de Filistijnen gingen, omdat Hasjeem bang was dat ze zouden terugkeren? *(16b)*

… er bij de keriat Jam Soef **niet één** pad in de Jam Soef ontstond maar **twaalf** paden, waarover alle 12 verschillende stammen, ieder op zijn eigen pad, door de Jam Soef heen konden gaan? *(16b)*

… de Bnee Jisra'eel een meningsverschil hadden aan de oever van de Jam Soef over wie het eerst in de zee zou springen? Uiteindelijk sprong als eerste in de zee **Nachsjon ben Aminadav**, en de zee ging uit elkaar. *(16b)*

… de Bnee Jisra'eel de Mitsriem aan de oever van de Jam Soef **moesten zien**, omdat ze dan zeker wisten dat de Mitsriem hun geen kwaad meer konden doen? *(16c)*

**Eli vertelt:** „Mosje en de Bnee Jisra'eel zongen een prachtig lied: *sjirat hajam*. Mirjam, de zuster van Aharon en Mosje, nam een tof en zong met de vrouwen om Hasjeem te bedanken. Daarna liepen ze verder — weg van Egypte. Zij reisden drie dagen, maar toen konden ze geen goed water meer vinden. Zij kwamen aan in Mara en vonden daar alleen maar bitter water. Daarom heette de plaats ook Mara."

**Channa zegt:** „De mensen renden naar Mosje Rabbenoe en vroegen hem: ‚Wat moeten we drinken?' Hasjeem wees Mosje een hout. Mosje gooide dit in het water en het werd drinkbaar."

**Batsjeva vertelt verder:** „In de tweede maand van hun woestijnreis hadden ze geen matsa meer over. Iedereen begon te klagen: ‚Moeten we hier sterven in de midbar? In Mitsraim hadden we genoeg lechem en bassar te eten.' Hasjeem werd kwaad toen Hij hoorde hoe de Bnee Jisra'eel klaagden. In de avond zouden ze vlees van kwartels krijgen en in de ochtend Man.

Het Manna was in het begin te vergelijken met astronautenvoedsel. Manna werd volledig door het lichaam opgenomen. Je hoefde er niet van naar de WC. Pas toen de Bnee Jisra'eel averot deden door over de smaak van het Manna te klagen, werd het Manna gelijk normaal voedsel."

Het volk vroeg: „Waarom hebt u ons hierheen gebracht?" Mosje antwoordde met een wedervraag: „Moeten wij zulke ondankbare mensen vertrouwen?" Was dat een antwoord — of stelde hij hun een heel andere vraag?

Sjabbat Sjalom!

Zwei Truhen durch die Wüste

„Haschem wird gewiss nach euch sehen. Und dann nehmt meine Gebeine von hier mit euch nach Israel." Diesen Schwur hatte Josef den Bnej Jisrael feierlich abgenommen. Und Mosche nahm die Gebeine Josefs mit (Schemot 13,19).

Warum erzählt die Tora das überhaupt? Es gibt mehrere Gründe.

Nach dem Auszug aus **Mizrajim** — so heißt Ägypten auf Iwrit — sollten sie die Tora bekommen. Aber die Menschen wollten die Tora zuerst gar nicht — sie dachten, sie sei viel zu schwer. Auch unter den Juden dachten viele so. Josef aber war der Beweis, dass wir die Tora sehr wohl halten können. Josef hatte den Verlockungen Sulejkas widerstanden, der Frau Potifars. Er war der Beweis: Man kann auf die Tora hören, auch wenn es sehr schwer wird. Charakterstärke!

Vierzig Jahre lang, die ganze Reise durch die Wüste, trug das Volk **zwei Truhen** mit sich. In der einen lagen die zwei steinernen Tafeln und die Tora. In der anderen lagen die Gebeine Josefs. Die Menschen sagten: „Der eine hat erfüllt, was in der anderen vorgeschrieben steht."

Dazu kam etwas anderes. Die früheren Sklaven fühlten sich klein und wenig wert, weil sie so lange Sklaven des Pharao gewesen waren. Josefs königlicher Sarg gab ihnen ihren Stolz zurück. Denn er zeigte: Die Juden stammen aus einem vornehmen Haus. Awraham, Jizchak und Jaakow waren ihre Vorväter — und die hatte man in Kenaan wie Könige geehrt!

Der wichtigste Grund aber war ein anderer. Nach der zehnten Plage behandelten die Ägypter die Juden auf einmal wie ganz gewöhnliche Mitbürger. Sie kamen ihnen entgegen wie Freunde. Und genau da war die Gefahr: dass die Juden in Ägypten bleiben wollten. Der Sarg sollte das verhindern.

Und tatsächlich. Kurz nach dem Auszug, beim allerersten Hindernis, rief das Volk sofort:

„Gab es denn keine Gräber in Ägypten, dass du uns mitgenommen hast, um in der Wüste zu sterben? Was hast du uns angetan, dass du uns aus Ägypten herausgeführt hast?" (Schemot 14,11)

Da zeigte Mosche ihnen die Truhe Josefs und sagte: „Seht, wie die Ägypter Josef behandelt haben. Er hat sie aus einer schweren Hungersnot gerettet. Unter seiner Führung wurde Ägypten ein wohlhabendes Land. Und trotzdem haben die Ägypter seine Kinder und Enkel zu Sklaven gemacht. Sollen wir solchen undankbaren Menschen trauen?!"

Weißt du noch, wie Josef ganz am Ende seines Lebens die Bnej Jisrael schwören ließ? Jetzt, im Aufbruch, wurde der Schwur eingelöst — nach vielen Generationen.

… dass die Bnej Jisrael **bewaffnet** aus Ägypten zogen — und trotzdem nicht auf dem kurzen Weg durchs Land der Pelischtim gingen, weil Haschem befürchtete, sie könnten dann umkehren? *(16b)*

… dass beim Durchzug durchs Schilfmeer **nicht ein** Pfad entstand, sondern **zwölf** — für jeden der zwölf Stämme ein eigener? *(16b)*

… dass die Bnej Jisrael am Ufer stritten, wer als Erster ins Meer springen sollte? Als Erster sprang **Nachschon ben Aminadaw** — und da ging das Meer auseinander. *(16b)*

… dass sie die Ägypter am Ufer **sehen** mussten? Erst dann wussten sie sicher, dass die Ägypter ihnen nichts mehr antun konnten. *(16c)*

**Eli erzählt:** „Mosche und die Bnej Jisrael sangen ein wunderschönes Lied: die **Schirat haJam**, das Lied vom Meer. Mirjam, die Schwester von Aharon und Mosche, nahm eine Trommel und sang mit den Frauen, um Haschem zu danken. Danach zogen sie weiter — fort von Ägypten. Drei Tage lang reisten sie, aber dann fanden sie kein gutes Wasser mehr. Sie kamen nach **Mara** und fanden dort nur bitteres Wasser. Darum hieß der Ort auch Mara — das heißt: bitter."

**Channa sagt:** „Die Menschen liefen zu Mosche Rabbenu und fragten ihn: ‚Was sollen wir trinken?' Haschem zeigte Mosche ein Stück Holz. Mosche warf es ins Wasser, und das Wasser wurde trinkbar."

**Batschewa erzählt weiter:** „Im zweiten Monat ihrer Wüstenreise hatten sie keine Mazza mehr übrig. Alle fingen an zu klagen: ‚Sollen wir hier sterben, im **Midbar**, in der Wüste? In Mizrajim hatten wir genug Brot und Fleisch zu essen.' Haschem wurde zornig, als Er hörte, wie die Bnej Jisrael klagten. Am Abend sollten sie Fleisch von Wachteln bekommen und am Morgen **Manna**.

Das Manna war am Anfang mit Astronautennahrung zu vergleichen. Es wurde vom Körper vollständig aufgenommen. Man musste davon nicht auf die Toilette. Erst als die Bnej Jisrael **Awerot** begingen — Übertretungen —, indem sie über den Geschmack des Mannas klagten, wurde das Manna sofort ganz normale Nahrung."

Das Volk hatte gefragt: „Warum hast du uns hierher gebracht?" Mosche antwortete mit einer Gegenfrage: „Sollen wir solchen undankbaren Menschen trauen?" War das eine Antwort — oder hat er ihnen eine ganz andere Frage gestellt?

Schabbat Schalom!

Dit deel is nog niet compleet.Dieser Band ist noch nicht vollständig.

  • ✓Teksten NL + DETexte NL + DE
  • ○BladindelingSeitenaufteilung
  • ○Alle tekstkadersAlle Textkästen
  • ○BeeldbeschrijvingenBildbeschreibungen
  • ○Beelden gemaaktBilder erstellt

De tekst is er al; de bladindeling voor dit deel volgt nog. Zo leest u het hoofdstuk alvast in zijn geheel. Der Text liegt vor; die Seitenaufteilung für diesen Band folgt noch. So lesen Sie das Kapitel schon im Ganzen.

Zit ik soms niet op jouw schouders?

In Refidiem was geen water. De Bnee Jisra'eel klaagden over gebrek aan water, en de ruzie werd zo groot dat de plaats naar die ruzie werd genoemd. En daar meteen achter, zonder enige overgang, staat in de sidra een oorlog.

„En Mosje noemde de naam van de plaats Massa oeMeriwa vanwege de ruzie van de Bnee Jisra'eel en naar aanleiding daarvan, dat zij Hasjeem uitgetest hadden door te zeggen: ‚Is Hasjeem in ons midden of niet?' Toen kwam Amalek en voerde oorlog met Israël in Refidiem." (Sjemot 17:7-8)

Rasjie gaat hier in op de *semichoet parsjiot* — de opeenvolging van de verschillende gebeurtenissen in de midbar. De aanval van Amalek was een reactie op hun ondankbaarheid.

Ik laat Rasjie zelf aan het woord:

„Het verhaal van Amalek komt na hun ondankbare reactie om duidelijk te maken, dat Ik, Hasjeem, steeds in jullie midden ben en dat Ik voor al jullie behoeften zorg. Jullie vragen je dan nog steeds af of ‚Hasjeem in ons midden is of niet'? De hond (Amalek) zal komen om jullie te bijten. Dan zullen jullie Mij roepen om hulp en zullen jullie weten waar Ik ben.

Je kan dit vergelijken met een vader, die op weg zijn zoon op zijn schouder draagt. De zoon wil dan eens dit en dan weer dat. De vader luistert naar alle wensen van zijn zoon en geeft hem alles wat hij aanwijst. Op een goed moment komen ze iemand tegen. Zittend op vaders schouders roept de zoon naar de tegenligger: ‚Heeft u mijn vader ergens gezien?' Wat een chotspe!

Zijn vader werd kwaad en riep verontwaardigd: ‚Weet jij niet waar ik ben?' Pa zette zoonlief op de grond, de hond kwam langs en beet hem."

Het Joodse volk werd in de woestijn van alles voorzien. Manna viel 's ochtends uit de Hemel, 's avonds waren er kwartels. Water kwam uit een rots. Toch vroegen de Bnee Jisra'eel zich af of Hasjeem wel in hun midden was. Wat een chotspe!

Dit was niet zomaar een vraag of een nieuwsgierige interesse. Hasjeem, Hasjeem Zelf werd hier uitgetest. Men vroeg zich af of het wel de moeite waard was om te geloven in Hasjeem. Had Hasjeem wel genoeg voor hen gedaan om hun aanhankelijkheid en hun trouw te verdienen?

Het volk moest een lesje leren. Een terechtwijzing was op zijn plaats, vond het Opperwezen. Vandaar, dat de Tora stelt, dat ‚Amalek kwam en voerde oorlog met Israel'.

Weet je nog, de nacht waarin ze uit Egypte vertrokken? Een paar weken later staat datzelfde volk in de woestijn en vraagt zich af of Hasjeem wel bij hen is.

… het Manna **op** een laag dauw en **onder** een laag dauw lag rondom de kampplaats — en dat er pas iets fijns, zo fijn als witte korreltjes, op de aarde zichtbaar werd wanneer de bovenste dauwlaag optrok? *(16c)*

… toen de Bnee Jisra'eel dat zagen, ze tegen elkaar zeiden: ‚wat is het?' — en dat ‚wat?' in het Ivriet **man** is? Een heel volk gaf een ding dus zijn eigen vraag als naam. *(16c)*

**Eli vertelt:** „Toen de Mitsriem de Bnee Jisra'eel achtervolgden, zette Hasjeem de wolkzuil tussen de Mitsriem en de Bnee Jisra'eel. De wolkzuil werd zwart en de Mitsriem konden de Bnee Jisra'eel niet meer zien."

**Batsjeva vertelt verder:** „De vuurzuil ging de Bnee Jisra'eel vooruit en gaf hen licht op hun tocht. De wateren van de Jam Soef spleten en maakten een weg droog voor de Bnee Jisra'eel om daarop te lopen. Er waren twaalf doorgangen in de Jam Soef — voor iedere stam één doorgang. De hele nacht liepen de Bnee Jisra'eel door de zee. De Mitsriem zaten hen op de hielen."

**Jair zegt:** „'s Ochtends hadden de Bnee Jisra'eel de andere kant van de zee bereikt. De Egyptische wagenmenners wilden ook de andere kant bereiken, maar de grond onder hun voeten werd plotseling modder. Hun wielen raakten vast in de grond. Nu werden de Mitsriem bang: ‚Laten we terugrennen', schreeuwden ze tegen elkaar, ‚de G'd van de Bnee Jisra'eel vecht voor hen, dat kunnen we zeker niet winnen.' Toen strekte Mosje zijn hand weer uit naar het water en met een grote plons kwam het water neer op de Mitsriem. Geen Egyptische soldaat overleefde dit drama. En aan de overkant zongen Mosje en de Bnee Jisra'eel een prachtig lied: de *sjirat hajam*."

Rasjie laat Hasjeem zeggen: „De hond zal komen om jullie te bijten." In het gelijkenis zet de vader zijn zoon neer, omdat de zoon hem over het hoofd zag. Is de hond de **straf** voor de vraag — of is hij het **antwoord** erop? Kies, en zeg erbij waaraan je het vastmaakt.

Sjabbat Sjalom!

Sitzt du nicht auf meinen Schultern?

In Refidim gab es kein Wasser. Die Bnej Jisrael klagten, und der Streit wurde so groß, dass der Ort nach diesem Streit benannt wurde: Massa uMeriwa — Prüfen und Streiten. Und gleich dahinter, ohne jeden Übergang, steht in der Sidra, dem Wochenabschnitt, ein Krieg.

„Und Mosche nannte den Namen des Ortes Massa uMeriwa — wegen des Streites der Bnej Jisrael und weil sie Haschem geprüft hatten, indem sie sagten: ‚Ist Haschem in unserer Mitte oder nicht?' Da kam Amalek und führte Krieg gegen Israel in Refidim." (Schemot 17,7–8)

Raschi geht hier auf die *semichut parschijot* ein — die Nachbarschaft der Abschnitte, die Reihenfolge der Ereignisse im **Midbar**, in der Wüste. Der Angriff Amaleks war die Antwort auf ihre Undankbarkeit.

Ich lasse Raschi selbst sprechen:

„Die Geschichte von Amalek kommt nach ihrer undankbaren Reaktion, um deutlich zu machen, dass Ich, Haschem, immer in eurer Mitte bin und dass Ich für alles sorge, was ihr braucht. Und ihr fragt euch immer noch, ob ‚Haschem in unserer Mitte ist oder nicht'? Der Hund wird kommen, um euch zu beißen. Dann werdet ihr Mich um Hilfe rufen, und dann werdet ihr wissen, wo Ich bin.

Du kannst es mit einem Vater vergleichen, der seinen Sohn unterwegs auf den Schultern trägt. Der Sohn will einmal dies und dann wieder das. Der Vater hört auf jeden Wunsch seines Sohnes und gibt ihm alles, worauf er zeigt. Irgendwann kommt ihnen jemand entgegen. Auf den Schultern seines Vaters sitzend, ruft der Sohn dem Entgegenkommenden zu: ‚Haben Sie irgendwo meinen Vater gesehen?' Was für eine **Chuzpe**!

Sein Vater wurde zornig und rief empört: ‚Weißt du denn nicht, wo ich bin?' Der Vater setzte den lieben Sohn auf die Erde. Der Hund kam vorbei und biss ihn."

Das jüdische Volk wurde in der Wüste mit allem versorgt. Morgens fiel Manna vom Himmel. Abends gab es Wachteln. Wasser kam aus einem Felsen. Und trotzdem fragten sich die Bnej Jisrael, ob Haschem denn wirklich in ihrer Mitte sei. Was für eine Chuzpe!

Das war nicht einfach eine Frage. Das war auch keine bloße Neugier. Hier wurde Haschem geprüft — Haschem selbst. Man fragte sich, ob es die Mühe überhaupt wert sei, an Haschem zu glauben. Hatte Haschem genug für sie getan, um ihre Hingabe und ihre Treue zu verdienen?

Das Volk musste eine Lektion lernen. Eine Zurechtweisung war angebracht, fand der Allmächtige. Daher stellt die Tora fest: „Amalek kam und führte Krieg gegen Israel."

Weißt du noch, die Nacht, in der sie in Ägypten aufbrachen? Wenige Wochen später steht dasselbe Volk in der Wüste und fragt, ob Haschem überhaupt bei ihnen ist.

… dass das Manna rings um den Lagerplatz **auf** einer Schicht Tau lag und **unter** einer zweiten — und dass erst, wenn die obere Schicht sich hob, etwas Feines auf der Erde sichtbar wurde, so fein wie weiße Körnchen? *(16c)*

… dass die Bnej Jisrael, als sie es sahen, zueinander sagten: „Was ist das?" — und dass „Was?" auf Iwrit **„Man"** heißt? Ein ganzes Volk gab einer Sache also ihre eigene Frage als Namen. *(16c)*

**Eli erzählt:** „Als die Mizrijim die Bnej Jisrael verfolgten, stellte Haschem die Wolkensäule zwischen die Mizrijim und die Bnej Jisrael. Die Wolkensäule wurde schwarz, und die Mizrijim konnten die Bnej Jisrael nicht mehr sehen."

**Batschewa erzählt weiter:** „Die Feuersäule zog vor den Bnej Jisrael her und gab ihnen Licht auf ihrem Weg. Die Wasser des **Jam Suf** spalteten sich und machten einen trockenen Weg, auf dem die Bnej Jisrael gehen konnten. Es gab zwölf Durchgänge im Jam Suf — für jeden Stamm einen. Die ganze Nacht liefen die Bnej Jisrael durch das Meer. Die Mizrijim saßen ihnen dicht auf den Fersen."

**Jair sagt:** „Am Morgen hatten die Bnej Jisrael die andere Seite des Meeres erreicht. Die ägyptischen Wagenlenker wollten die andere Seite auch erreichen, aber der Boden unter ihren Füßen wurde plötzlich zu Schlamm. Ihre Räder blieben stecken. Jetzt bekamen die Mizrijim Angst. ‚Lasst uns zurücklaufen!', schrien sie einander zu, ‚der G'tt der Bnej Jisrael kämpft für sie, das können wir bestimmt nicht gewinnen.' Da streckte Mosche seine Hand wieder aus über das Wasser, und mit einem einzigen gewaltigen Schlag kam das Wasser auf die Mizrijim herunter. Kein einziger ägyptischer Soldat überlebte dieses Drama. Und drüben, auf der anderen Seite, sangen Mosche und die Bnej Jisrael ein wunderschönes Lied: die **Schirat haJam**, das Lied vom Meer."

Raschi lässt Haschem sagen: „Der Hund wird kommen, um euch zu beißen." Im Gleichnis setzt der Vater den Sohn ab, weil der Sohn ihn übersehen hat. Ist der Hund die **Strafe** für die Frage — oder ist er die **Antwort** darauf? Entscheide dich, und sag dazu, woran du es festmachst.

Schabbat Schalom!