Va'eraWaera 14
Dit hoofdstuk in alle drie de leeftijdsdelen. Kies hierboven een deel; de streep eronder zegt wat er klaar is en wat nog niet. Onder „Bladzijden” ziet u de tekst en het beeld zoals ze op de bladzijde naast elkaar komen — de indeling mag nog veranderen, de beelden blijven. Dieses Kapitel in allen drei Altersstufen. Wählen Sie oben einen Band; der Streifen darunter sagt, was fertig ist und was nicht. Unter „Seiten“ sehen Sie Text und Bild so, wie sie auf der Seite nebeneinander kommen — die Aufteilung darf sich noch ändern, die Bilder bleiben.
Dit deel is compleet.Dieser Band ist vollständig.
- ✓Teksten NL + DETexte NL + DE
- ✓BladindelingSeitenaufteilung 4
- ✓Alle tekstkadersAlle Textkästen 4/4
- ✓BeeldbeschrijvingenBildbeschreibungen 4/4
- ✓Beelden gemaaktBilder erstellt 4/4
Va'eraWaera — Va’era · De rivier van Farao
⚠ Wordt nog verbeterd — is in bewerking Wird noch verbessert — ist in Arbeit
De beelden van dit hoofdstuk voldoen nog niet aan uw zeven regels van 9 september. Wat er precies aan schort en wanneer het aan de beurt is, staat op de lijst van alle hoofdstukken. Er wordt niets opnieuw getekend voordat u de figuurbladen heeft goedgekeurd. Die Bilder dieses Kapitels erfüllen Ihre sieben Regeln vom 9. September noch nicht. Was genau fehlt und wann es an der Reihe ist, steht auf der Liste aller Kapitel. Es wird nichts neu gezeichnet, bevor Sie die Figurenblätter freigegeben haben.
Deze bladzijden staan gezet in het NederlandsNiederländisch. Onder elke dubbele bladzijde kunt u iets zeggen — het komt direct in het project terecht. Diese Seiten stehen gesetzt auf NederlandsNiederländisch. Unter jeder Doppelseite können Sie etwas sagen — es kommt direkt im Projekt an.
Hoort bij het vorige hoofdstuk.Gehört zum vorigen Kapitel.
Drie dingen hielden de Bnee Jisra’eel vast, terwijl om hen heen alles Egyptisch werd. Welke drie waren dat — en welke daarvan zou voor jou het moeilijkst zijn om vast te houden?Drei Dinge behielten die Bnej Jisrael, obwohl um sie herum alles ägyptisch wurde. Welche drei waren es — und welches davon wäre für dich am schwersten zu behalten?

Sjabbat Sjalom!Schabbat Schalom!
Va’era

Farao beweerde dat hij de Nijl geschapen had.Der Pharao behauptete etwas Unerhörtes. „Den Nil“, sagte er, „den habe ich gemacht.“
De Nijl was de basis van de macht van Egypte. Door de Nijl groeide alle graan en was er veeteelt mogelijk. Het lammetje was de afgod van Egypte, omdat het lammetje het sterrenbeeld is van de maand Nisan. In Nisan overstroomt de Nijl en treedt hij buiten zijn oevers.Dabei war der Nil die Kraft von ganz Ägypten. Aus dem Nil kam das Wasser, und aus dem Wasser kam alles andere: das Getreide auf den Feldern und das Futter für das Vieh. Im Monat Nissan tritt der Nil über seine Ufer, und dann trinkt das ganze Land. Darum beteten die Ägypter ein Lamm an — denn das Lamm ist das Sternbild des Monats Nissan.
Daarom waren de plagen rond de Nijl. De eerste plaag, dam (bloed), was tegen de Nijl gericht. De tweede plaag, tsefarde’a (kikkers), kwam voort uit de Nijl. De meeste plagen werden aangekondigd aan de oever van de Nijl.Und darum kamen die Plagen rund um den Nil. Die erste Plage — **Dam**, Blut — traf den Nil selbst. Die zweite Plage kam aus dem Nil heraus: **Zefardea**, die Frösche. Und die meisten Plagen wurden am Ufer des Nil angekündigt.
Mitsraim kreeg tien plagen. Deze plagen kwamen niet zomaar. Als Hasjeem een plaag stuurt, dan heeft Hij een bepaalde bedoeling. Elke keer paste de plaag precies bij het werk dat de Joden hadden moeten doen.Zehn Plagen bekam Ägypten. Aber sie kamen nicht einfach so. Wenn Haschem eine Plage schickt, hat Er eine bestimmte Absicht. Jedes Mal antwortete das Zeichen genau auf eine Arbeit, die die Juden hatten tun müssen.
Dit is nog geen opmaak. Kijkt u alstublieft alleen naar de tekst en naar het beeld: staat het juiste stuk tekst bij het juiste beeld, klopt wat er te zien is, en past het bij elkaar? Waar iets staat op de bladzijde, hoe groot de letter is en hoe de bladzijde er straks uitziet — dat komt later en is hier nog niet te beoordelen. Das ist noch kein Layout. Bitte sehen Sie nur auf den Text und auf das Bild: Steht das richtige Stück Text beim richtigen Bild, stimmt das Dargestellte, und passt beides zusammen? Wo etwas auf der Seite steht, wie groß die Schrift ist und wie die Seite später aussieht — das kommt später und ist hier noch nicht zu beurteilen.
Nog geen opmerkingen bij deze dubbele bladzijde.Noch keine Anmerkungen zu dieser Doppelseite.
De bloedplaag kwam over de Mitsriem (Egyptenaren), omdat de Egyptenaren de Joden niet de gelegenheid gaven om goed naar bad te gaan. Daarom veranderde hun water in bloed.Die Blutplage kam über die Ägypter, weil sie den Juden keine Gelegenheit ließen, sich richtig zu waschen und zu baden. Darum wurde ihr eigenes Wasser zu Blut.
De tsefarde’a (kikker) kwam omdat de Joden de vrachten van de Egyptenaren moesten dragen. De kikkers aten veel van de spullen van de Egyptenaren op.Die Frösche kamen, weil die Juden die schweren Lasten der Ägypter schleppen mussten. Nun fraßen die Frösche vieles von den Sachen der Ägypter auf.
De derde plaag, kiniem: de Joden moesten altijd de straten vegen, en daarom veranderde het stof in luizen.Die dritte Plage waren die Läuse. Die Juden mussten immerzu die Straßen fegen — darum wurde der Staub zu Läusen.
De vierde plaag waren de wilde dieren: de Joden werden gedwongen om de Egyptenaren wilde dieren te brengen om ze te plezieren en te vermaken in de circussen. Daarom kreeg Mitsraim allemaal wilde dieren over zich heen.Die vierte Plage waren die wilden Tiere. Die Juden wurden gezwungen, den Ägyptern wilde Tiere zu bringen, damit die sich im Zirkus vergnügen konnten. Darum kamen die wilden Tiere über ganz Ägypten.

De vijfde plaag was dever — een ziekte die over het vee van de Mitsriem kwam. De Egyptenaren stuurden Joodse vaders als herders de woestijn in, ver weg van hun gezinnen. Maar gelukkig zorgde Hasjeem ervoor dat alles goed kwam.Die fünfte Plage war eine Krankheit, die über das Vieh der Ägypter kam. Die Ägypter schickten jüdische Väter als Hirten weit hinaus in die Wüste, fort von ihren Familien. Aber zum Glück sorgte Haschem dafür, dass alles wieder gut wurde.

De tien plagen duurden één jaar. Op 15 Nisan, één jaar voor de uittocht, sprak Hasjeem met Mosje bij het doornbos. Mosje werd naar Egypte gestuurd en kwam snel bij Farao.Ein ganzes Jahr lang dauerten die zehn Plagen. Am 15. Nissan, ein Jahr vor dem Auszug, hatte Haschem am Dornbusch mit Mosche gesprochen. Mosche wurde nach Ägypten geschickt und stand schnell vor dem Pharao.
En steeds werd Farao gewaarschuwd voordat er een plaag kwam. Hoe lang? Daarover zijn onze Chagamiem, onze Geleerden, het niet eens. Sommigen zeggen dat Farao vierentwintig dagen lang gewaarschuwd werd en dat iedere plaag maar zeven dagen duurde. Anderen zijn van mening dat er zeven dagen lang gewaarschuwd werd, waarna iedere plaag vierentwintig dagen duurde.Und immer wieder wurde der Pharao gewarnt, bevor eine Plage kam. Wie lange? Da sind sich unsere Gelehrten nicht einig. Die einen sagen: vierundzwanzig Tage Warnung, und jede Plage dauerte dann sieben Tage. Die anderen sagen: sieben Tage Warnung, und jede Plage dauerte dann vierundzwanzig Tage.
Op Rosj Hasjana stopte de slavenarbeid van de Joden.An Rosch Haschana hörte die Sklavenarbeit der Juden auf.
- de Bnee Jisra’eel in Mitsraim hun kleren, hun taal en hun namen niet veranderden?… dass die Juden in Ägypten ihre Kleider, ihre Sprache und ihre Namen **nicht** änderten?
- ze altijd erg aardig waren voor elkaar en elkaar altijd hielpen?… dass sie immer sehr nett zueinander waren und einander immer halfen?
- de Bnee Jisra’eel 210 jaar in Mitsraim bleven?… dass die Juden **210** Jahre lang in Ägypten blieben?
Dit is nog geen opmaak. Kijkt u alstublieft alleen naar de tekst en naar het beeld: staat het juiste stuk tekst bij het juiste beeld, klopt wat er te zien is, en past het bij elkaar? Waar iets staat op de bladzijde, hoe groot de letter is en hoe de bladzijde er straks uitziet — dat komt later en is hier nog niet te beoordelen. Das ist noch kein Layout. Bitte sehen Sie nur auf den Text und auf das Bild: Steht das richtige Stück Text beim richtigen Bild, stimmt das Dargestellte, und passt beides zusammen? Wo etwas auf der Seite steht, wie groß die Schrift ist und wie die Seite später aussieht — das kommt später und ist hier noch nicht zu beurteilen.
Nog geen opmerkingen bij deze dubbele bladzijde.Noch keine Anmerkungen zu dieser Doppelseite.
Eli: „Vanaf Sjemot is Mosje Rabbenoe de belangrijkste man in de Tora. Bij het doornbos riep Hasjeem: ‚Mosje, Mosje!’ En hij antwoordde: ‚Hier ben ik.’”**Eli:** „Seit der Parascha Schemot ist Mosche Rabbenu der wichtigste Mann in der Tora. Am Dornbusch rief Haschem: ‚Mosche, Mosche!' Und Mosche antwortete: ‚Hier bin ich.'“
Ariella: „Er is een stijgende lijn vanaf No-ach tot Mosje. No-ach wordt een tsaddiek in een pelsjas genoemd — een ‘heilige’ man, die vooral met zijn eigen Jahadoet bezig was. De mensen uit zijn tijd kon hij niet redden; zij kwamen om in de Maboel. Avraham stond al op een hoger niveau. Hij dawwende voor de mensen van Sedom, een stad waar de mensen heel slecht waren. Maar toen hij zag dat Hasjeem niet bereid was Sedom te sparen, stopte hij met dawwenen.”**Ariella:** „Von No-ach bis Mosche geht eine Linie, und sie steigt immer weiter. No-ach nennt man einen Zaddik im Pelzmantel — einen heiligen Mann, dem hauptsächlich sein eigenes **Jahadut** wichtig war, sein eigenes jüdisches Leben. Die Menschen seiner Zeit konnte er nicht retten; sie kamen im Ma-bul um, in der großen Überschwemmung. Awraham stand schon höher. Er betete für die Menschen von Sedom, einer Stadt, in der die Menschen sehr schlecht waren. Aber als er sah, dass Haschem Sedom nicht verschonen wollte, hörte er auf zu beten.“
Elischa: „En Mosje? Toen het Joodse volk later het Gouden Kalf gediend had — daarover vertelt een later hoofdstuk — ging Mosje nog een stap verder: ‚Als U niet naar mij luistert om het Joodse volk te vergeven, dan kunt U mij schrappen uit de Tora, die U geschreven heeft.’ Kijk, dit is echte opoffering voor Am Jisra’eel!”Von dieser Zeile gibt es noch keinen deutschen Text.
Farao had gezegd: „De Nijl heb ik gemaakt.” En juist zijn rivier veranderde als eerste. Wat denk jij: wat moest hij daaraan merken?Der Pharao hatte gesagt: „Den Nil habe ich gemacht.“ Und ausgerechnet sein Fluss war das Erste, was sich veränderte. Was, glaubst du, sollte er daran merken?
Sjabbat Sjalom!Schabbat Schalom!
Hoort bij het volgende hoofdstuk.Gehört zum nächsten Kapitel.
Bo

Hasjeem zei tegen Mosje: „Ga in de morgen naar Farao.”„Geh am Morgen zum Pharao", sagte Haschem zu Mosche.
Dit is nog geen opmaak. Kijkt u alstublieft alleen naar de tekst en naar het beeld: staat het juiste stuk tekst bij het juiste beeld, klopt wat er te zien is, en past het bij elkaar? Waar iets staat op de bladzijde, hoe groot de letter is en hoe de bladzijde er straks uitziet — dat komt later en is hier nog niet te beoordelen. Das ist noch kein Layout. Bitte sehen Sie nur auf den Text und auf das Bild: Steht das richtige Stück Text beim richtigen Bild, stimmt das Dargestellte, und passt beides zusammen? Wo etwas auf der Seite steht, wie groß die Schrift ist und wie die Seite später aussieht — das kommt später und ist hier noch nicht zu beurteilen.
Nog geen opmerkingen bij deze dubbele bladzijde.Noch keine Anmerkungen zu dieser Doppelseite.
Dit deel is nog niet compleet.Dieser Band ist noch nicht vollständig.
- ✓Teksten NL + DETexte NL + DE
- ○BladindelingSeitenaufteilung
- ○Alle tekstkadersAlle Textkästen
- ○BeeldbeschrijvingenBildbeschreibungen
- ○Beelden gemaaktBilder erstellt
De tekst is er al; de bladindeling voor dit deel volgt nog. Zo leest u het hoofdstuk alvast in zijn geheel. Der Text liegt vor; die Seitenaufteilung für diesen Band folgt noch. So lesen Sie das Kapitel schon im Ganzen.
De halve Halleel
Op Pesach zeggen we niet heel Halleel. Maar een half. En dat is geen vergissing.
Am Jisra'eel is niet blij met de straffen die de Egyptenaren kregen. Daarom zeggen we op Pesach maar een half dankgebed, half Halleel. Bij Pesach vinden we nergens het woord simcha, omdat heel veel Mitsriem stierven. Soekot is wel ‘zeman simchatenoe' en daar zeggen we alle dagen heel Halleel.
Waarom werd de Nijl als eerste gestraft? De Nijl was de basis van de macht van Egypte. Door de Nijl groeide alle graan en was er veeteelt mogelijk. Het lammetje was de afgod van de Mitsriem omdat het lam het sterrenbeeld is van de maand Nisan. In de maand Nisan treedt de Nijl buiten zijn oevers. Dan krijgen alle planten en weiden water en groeit alles weer goed.
Farao was een heel onbescheiden mens. Hij had zichzelf tot afgod uitgeroepen. Hij riep dat hij de Nijl geschapen had. En daarom speelden veel plagen zich af rondom de Nijl. De eerste plaag ‘dam' was tegen de Nijl gericht. De tweede plaag tsefarde'a kwam voort uit de Nijl. De meeste makot werden aangekondigd aan de oever van de rivier de Nijl.
De plagen duurden één jaar. Op 15 Nisan 2447, één jaar voor de Jetsiat Mitsraim, praatte Hasjeem met Mosje bij het doornbos. Mosje werd toen naar Farao gestuurd om de Joden te bevrijden.
Hoe lang duurden de plagen? Sommige Chagamiem menen dat Farao vierentwintig dagen lang gewaarschuwd werd en dat iedere plaag maar zeven dagen duurde. Andere Chagamiem zijn van mening dat Farao zeven dagen lang gewaarschuwd werd. Daarna duurde iedere plaag vierentwintig dagen. Op Rosj Hasjana 2448 na de beriat ha'olam stopte de slavenarbeid van de Bnee Jisra'eel.
En dan is er nog een vraag waarover onze Chagamiem het oneens zijn: werden de Joden ook getroffen door de plagen in Mitsraim? Sommige Chagamiem zeggen van wel en sommige zeggen van niet.
Ibn Ezra, die meer dan achthonderd jaar geleden leefde, is van mening dat die plagen waarbij niet duidelijk staat dat de Joden werden uitgezonderd, zoals de eerste drie plagen, ook het Joodse volk troffen. De eerste drie plagen waren immers niet gevaarlijk. Ook de sprinkhanen en de huiduitslag zouden alle inwoners van Egypte hebben getroffen, ook de Joden. Maar wilde dieren, veepest en hagel waren zware plagen, die alleen de Mitsriem troffen.
Ramban, honderd jaar na Ibn Ezra, zegt juist het tegenovergestelde: de Joden hadden van geen enkele plaag last.
Allebei de meningen staan tot vandaag naast elkaar in onze boeken. Je hoeft niet te kiezen om te kunnen leren.
Weet je nog dat Joseef in Mitsraim twaalf jaar in het Beet haSohar zat? Toen kwam er één familie naar Mitsraim. Inmiddels is daar een heel volk uit gegroeid — en heel Mitsraim is voor hen een gevangenis geworden.
… de Bnee Jisra'eel hun naam, kleren en taal niet veranderden, niet meededen met de vele slechte dingen van de Mitsriem en ze elkaar niet verraadden?
… de namen van **alle** stamvaders iets te maken hebben met de bevrijding uit Mitsraim?
… Roeween in het Ivriet betekent: Hasjeem zag mijn ellende?
… Sjimon betekent: Hasjeem luisterde naar het gehuil van de Bnee Jisra'eel vanuit de slavernij?
… als de Joden hun namen zouden veranderen, dan zou niets meer hen herinnerd hebben aan een mogelijke bevrijding uit Mitsraim, en zouden ze alle hoop verloren hebben en volledig verdwenen zijn in Mitsraim?
**Eli:** „Hebben jullie gelezen van die dappere Joodse vroedvrouwen — de Tora noemt ze Sjifra en Poea, en onze Chagamiem zeggen: dat waren **Jochewed en Mirjam**? Hoewel Farao bevolen had de kleine jongetjes te doden, bleven door hen veel Joodse jongetjes in leven. Hun **mesiroet nefesj** van die nasjiem tsidkaniot — die goede vrome vrouwen — heeft gezorgd voor voortzetting van Jahadoet onder alle omstandigheden. De beloning voor hun goede gedrag loog er niet om: ‚En omdat de vroedvrouwen Hasjeem vreesden, maakte Hasjeem voor hen huizen.' Volgens Rasjie wordt met ‘huizen' gedoeld op ‘huizen van kehoena, levija en malchoet': zij werden de voormoeders van de kohaniem, de levie'iem en de melachiem. Van Jochewed en Mirjam zouden priesters, levieten en koningen afstammen.“
**Batsjeva:** „Waarom was dit een goede beloning? Farao wilde niet het hele volk uitroeien. Zelfs als hij alle jongetjes zou hebben laten doden, zouden er nog steeds meisjes overblijven. Wanneer de vrouwen kinderen zouden krijgen van Egyptische mannen, zouden de kinderen nog steeds Joods blijven. Maar koheen, levie en koning zijn afhankelijk van de vader. Juist dát zou hebben ontbroken.“
**Jechiel:** „Omdat Jochewed en Mirjam door hun mesiroet nefesj de kehoena en lewija voor Am Jisra'eel behouden hebben, gaf Hasjeem hen afstammelingen met koheen- en levistatus. Want kohaniem en levi'iem waren zelf mensen met mesiroet nefesj. Als dienaren van het Beet haMikdasj hadden ze geen wijngaarden of boomgaarden, en zij kregen geen land toebedeeld als de andere stammen. Hasjeem was hun erfdeel. Ze moesten Hasjeem dienen.“
**Jochanan:** „Mida keneged mida — zoals zij goed deden, kregen Jochewed en Mirjam wat hen toekwam. Omdat zij voor ieder kind zorgden en ieder babytje koesterden, stamden van hen ook koningen af. Gelijk Jochewed en Mirjam moet een koning zich voor iedere burger inzetten en mag hij zich niet verheven voelen boven zijn onderdanen.“
Op Pesach halen we met opzet iets van onze vreugde weg, omdat er aan de andere kant ook mensen verloren hebben. Waaraan zou je volgens jou aan iemand kunnen zien dat hij blij is en toch niet juicht?
Sjabbat Sjalom!
Das halbe Hallel
An Pessach singen wir nicht das ganze Hallel. Nur das halbe. Und das ist kein Versehen.
Am Jisrael freut sich nicht über die Strafen, die die Mizrijim bekommen haben. Darum sagen wir an Pessach nur das halbe Dankgebet. Bei Pessach findest du auch nirgends das Wort **Simcha**, Freude — denn sehr viele Mizrijim kamen ums Leben. Bei Sukkot ist das anders. Sukkot heißt **Seman Simchatenu**, „die Zeit unserer Freude“, und dort sagen wir an allen Tagen das ganze Hallel.
Warum wurde eigentlich der Nil als Erster bestraft? Der Nil war die Grundlage der Macht Mizrajims. Durch den Nil wuchs das Getreide, durch den Nil war Viehzucht überhaupt möglich. Das Lamm war der Götze der Mizrijim, weil das Lamm das Sternbild des Monats **Nissan** ist. Im Nissan tritt der Nil über seine Ufer. Dann bekommen alle Pflanzen und alle Weiden Wasser, und alles wächst wieder gut.
Der Pharao war ein sehr unbescheidener Mensch. Er hatte sich selbst zum Gott erklärt. Er rief, **er** habe den Nil erschaffen. Und darum spielten sich viele Plagen rund um den Nil ab. Die erste Plage, **Dam** — Blut —, war gegen den Nil gerichtet. Die zweite Plage, **Zefardea** — Frösche —, kam aus dem Nil hervor. Und die meisten **Makot** wurden am Ufer des Nil angekündigt.
Die Plagen dauerten ein Jahr. Am 15. Nissan 2447, ein Jahr vor **Jeziat Mizrajim**, dem Auszug aus Mizrajim, sprach Haschem am Dornbusch mit Mosche. Mosche wurde danach zum Pharao geschickt, um die Juden zu befreien.
Wie lange dauerten die Plagen? Manche **Chachamim** meinen: Der Pharao wurde vierundzwanzig Tage lang gewarnt, und jede Plage dauerte dann nur sieben Tage. Andere Chachamim meinen: Der Pharao wurde sieben Tage lang gewarnt, und danach dauerte jede Plage vierundzwanzig Tage. An Rosch Haschana 2448 nach **Beriat haOlam**, der Erschaffung der Welt, hörte die Sklavenarbeit der Bnej Jisrael auf.
Und dann ist da noch eine Frage, über die unsere Chachamim streiten: Wurden auch die Juden in Mizrajim von den Plagen getroffen? Die einen sagen ja, die anderen sagen nein.
**Ibn Ezra** lebte vor mehr als achthundert Jahren. Er sagt: Bei manchen Plagen steht nicht ausdrücklich, dass die Juden ausgenommen waren. Bei diesen Plagen traf es auch das jüdische Volk — bei den ersten drei zum Beispiel. Die waren ja nicht gefährlich. Auch die Heuschrecken und der Hautausschlag hätten alle Bewohner Mizrajims getroffen, die Juden eingeschlossen. Aber die wilden Tiere, die Viehseuche und der Hagel waren schwere Plagen, und die trafen nur die Mizrijim.
**Ramban**, hundert Jahre nach Ibn Ezra, sagt das Gegenteil: Die Juden hatten von keiner einzigen Plage etwas zu leiden.
Beide Meinungen stehen bis heute nebeneinander in unseren Büchern. Man muss sich nicht entscheiden, um zu lernen.
Weißt du noch, wie Josef in Mizrajim zwölf Jahre lang im Bet haSohar saß? Damals war es eine Familie, die dorthin kam. Inzwischen ist ein ganzes Volk daraus geworden — und ganz Mizrajim ist ihm zum Gefängnis geworden.
… dass die Bnej Jisrael ihren Namen, ihre Kleider und ihre Sprache nicht änderten, bei den vielen schlechten Dingen der Mizrijim nicht mitmachten und einander nicht verrieten?
… dass die Namen **aller** Stammväter etwas mit der Befreiung aus Mizrajim zu tun haben?
… dass **Reuwen** auf Iwrit bedeutet: „Haschem sah mein Elend“?
… dass **Schimon** bedeutet: „Haschem hörte das Weinen der Bnej Jisrael aus der Sklaverei“?
… dass sie, wenn sie ihre Namen geändert hätten, nichts mehr an eine mögliche Befreiung erinnert hätte — und dass sie dann alle Hoffnung verloren hätten und in Mizrajim vollständig verschwunden wären?
**Eli:** „Habt ihr von den mutigen jüdischen Hebammen gelesen — die Tora nennt sie Schifra und Pua, und unsere Chachamim sagen: Das waren **Jochewed und Mirjam**? Obwohl der Pharao befohlen hatte, die kleinen Jungen zu töten, blieben durch die beiden viele jüdische Jungen am Leben. Diese **Mesirut Nefesch** — dass sie bereit waren, alles einzusetzen — hat dafür gesorgt, dass **Jahadut**, das jüdische Leben, unter allen Umständen weitergeht. Und ihre Belohnung war nicht klein: ‚Und weil die Hebammen Haschem fürchteten, machte Haschem ihnen Häuser.' Nach **Raschi** sind damit drei Häuser gemeint: **Kehuna** — das Haus der **Kohanim**, der Priester. **Lewija** — das Haus der **Lewijim**, die im Heiligtum dienten. Und **Malchut** — das Haus der Könige. Von Jochewed und Mirjam sollten sie alle drei abstammen.“
**Batscheva:** „Und warum war das eine gute Belohnung? Der Pharao wollte ja gar nicht das ganze Volk auslöschen. Selbst wenn er alle Jungen hätte töten lassen — die Mädchen wären übrig geblieben. Und wenn die Frauen später Kinder von mizrischen Männern bekommen hätten, wären die Kinder immer noch jüdisch. Aber **Kohen**, **Lewi** und König — das hängt am Vater. Genau das hätte gefehlt.“
**Jechiel:** „Weil Jochewed und Mirjam mit ihrer Mesirut Nefesch die Kehuna und die Lewija für Am Jisrael gerettet haben, gab Haschem ihnen Nachkommen mit Kohen- und Lewi-Status. Denn Kohanim und Lewijim waren selbst Menschen mit Mesirut Nefesch: Als Diener im **Bet haMikdasch**, dem Heiligtum, hatten sie keine Weinberge und keine Obstgärten, und Land bekamen sie auch keines wie die anderen Stämme. Haschem war ihr Erbteil. Sie mussten Haschem dienen.“
**Jochanan:** „**Midda keneged Midda** — wie sie gehandelt haben, so bekamen sie es zurück. Weil sie sich um jedes einzelne Kind kümmerten und jedes Baby behüteten, stammten von ihnen auch Könige ab. Genau wie Jochewed und Mirjam muss ein König sich für **jeden** Bürger einsetzen — und er darf sich über keinen erheben.“
An Pessach nehmen wir uns absichtlich etwas von der Freude weg, weil auch auf der anderen Seite Menschen verloren haben. Woran, glaubst du, würde man einem Menschen ansehen, dass er sich freut und trotzdem nicht jubelt?
Schabbat Schalom!
Dit deel is nog niet compleet.Dieser Band ist noch nicht vollständig.
- ✓Teksten NL + DETexte NL + DE
- ○BladindelingSeitenaufteilung
- ○Alle tekstkadersAlle Textkästen
- ○BeeldbeschrijvingenBildbeschreibungen
- ○Beelden gemaaktBilder erstellt
De tekst is er al; de bladindeling voor dit deel volgt nog. Zo leest u het hoofdstuk alvast in zijn geheel. Der Text liegt vor; die Seitenaufteilung für diesen Band folgt noch. So lesen Sie das Kapitel schon im Ganzen.
De namen die bleven
‚Dit zijn de namen van de Bnee Jisra'eel, die naar Mitsraim **komen**' (1:1). Veel mefarsjiem vragen zich af waarom hier een tegenwoordige tijd staat: naar Mitsraim kómen. Ze waren er toch allang?
De Bnee Jisra'eel voelden alsof ze opnieuw naar Mitsraim waren gekomen, omdat de Mitsriem met hun mede-burgers, de Bnee Jisra'eel, na de dood van Joseef anders begonnen om te gaan. Dat bestaat tot vandaag — en het is een vraag aan onszelf: hoe gaan wij om met mensen die hierheen gekomen zijn en er allang bij horen?
Er waren drie stadia van de sluipende vervolging van de Bnee Jisra'eel.
Het begon met het overlijden van Joseef. Met Joseef in de buurt had niemand het gewaagd de Bnee Jisra'eel aan te pakken. Daarna overleden de broers van Joseef, want ook zij stonden hoog in aanzien. Jaren later waren alle zeventig afstammelingen van Ja'akov die naar Mitsraim waren gekomen, niet meer in leven. Zolang zij leefden, was slavernij onmogelijk: zij waren zo choogem, zo wijs en standvastig, dat de Mitsriem hen met hun mooie praatjes nooit hadden kunnen bewegen voor hen te gaan werken.
Maar de directe aanleiding voor de vervolging was de grote vermeerdering van het Joodse volk, dat binnen 210 jaar van zeventig zielen tot minimaal 3 miljoen mensen uitgroeide. De Tora geeft aan dat iedereen met zijn eigen huis kwam. Dit betekent dat iedereen gehecht bleef aan zijn eigen vrouw. Men ging niet mee in wat vies en verkeerd was in Mitsraim. Hierdoor werd een belangrijk stuk van onze volksidentiteit behouden.
Rasjie vergelijkt de Bnee Jisra'eel met sterren. Letterlijk zegt hij: ‚Hoewel Ja'akovs kinderen met name geteld werden toen zij leefden, worden zij opnieuw geteld nadat zij stierven. Dit toont Hasjeems liefde voor hen.' De Bnee Jisra'eel worden vergeleken met sterren ‚die met getal 's nachts schijnen en met getal 's ochtends weer verdwijnen'. Zo werden ook de Bnee Jisra'eel telkens geteld.
De reden dat de namen worden vermeld, is omdat onze voorouders uit Mitsraim werden bevrijd vanwege vier verdiensten: zij veranderden hun naam niet, zij veranderden hun taal niet, zij deden niet mee aan de Egyptische onzedelijkheid en ze verraadden elkaar niet.
De namen van alle stamvaders duiden op de bevrijding uit Mitsraim.
Roeween betekent in het Ivriet: *Hasjeem zag mijn ellende.* Sjimon betekent: *Hasjeem luisterde naar hun gehuil vanuit de slavernij.* Levie betekent *begeleiden*: Hasjeem begeleidde hen ook in dit bittere galoets.
Zouden de Bnee Jisra'eel hun namen veranderen, dan zou niets meer hen herinnerd hebben aan een mogelijke bevrijding. Ze zouden alle hoop verloren hebben en volledig weggeassimileerd zijn in Mitsraim.
Weet je nog hoe Awram Awraham werd — één letter erbij, en de naam was een opdracht? Zijn achterkleinkinderen in Mitsraim veranderden hun namen niet. Juist daaraan hing hun hoop.
… dat brandende doornbosje iets belangrijks voorstelt? Allereerst toont het dat ons volk altijd zal blijven bestaan. Het doornbosje brandde wel, maar werd niet verteerd en ging niet kapot!
… dat Rabbi Bachja ibn Pakoeda zegt dat het brandende doornbosje het Joodse volk symboliseert, omdat Am Jisra'eel voortdurend in vuur en vlam staat, door tsarot (tsores) omringd wordt, eigenlijk had moeten vergaan maar toch blijft bestaan? Dit is een wonder!
… de Bnee Jisra'eel maar 210 jaar in Mitsraim zijn gebleven — en niet 430, terwijl in de Tora het getal 430 staat?
**Eli:** „Jullie hebben net gelezen hoe Rabbi Bachja ibn Pakoeda het brandende doornbosje leest: als beeld van ons volk. Maar dat is niet de enige verklaring.“
**Channa:** „Ik heb nog een leuke andere verklaring gezien. Het brandende doornbosje bestond volgens onze Chagamiem zowel uit brandnetels als uit rozen. Het symboliseert het Joodse volk dat grote tsaddikiem en grote slechterikken heeft voortgebracht. In Mitsraim waren die allemaal aanwezig. De Maharal legt dit uit. Het brandende doornbosje is een verwijzing naar am kesjee oref — de Joodse hardnekkigheid. Hardnekkigheid in Jahadoet maakt grote Tsaddikiem maar ook grote Resja'iem (slechtaards). Hardnekkigheid is de reden waarom wij nog steeds bestaan. Net zoals het doornbosje niet verteert, zal ook het Joodse volk nooit ophouden zijn licht te verspreiden. Zelfs in de avdoet van Mitsraim.“
**Sjeem:** „Ik denk dat het doornbosje voor Mosje Rabbenoe een teken was dat Hasjeem hem gestuurd had. Wat betekent dit? De Ibn Ezra legt het uit: het doornbosje stond aan de voet van de berg Sinaï. De uittocht uit Egypte was bedoeld om Hasjeem op de berg Sinaï te dienen en de Tora te ontvangen. Het bosje stond dus al bij het doel, nog voordat de weg begon. Ik vind het wel allemaal erg spannend wat er volgende week gaat gebeuren. Dan trekken we al bijna uit Mitsraim.“
Het bosje bestond uit brandnetels **én** uit rozen, en de Maharal zegt: dezelfde hardnekkigheid maakt allebei. Hoe kan iets dat mensen groot maakt, diezelfde mensen ook slecht maken?
Sjabbat Sjalom!
Die Namen, die blieben
„Dies sind die Namen der Bnej Jisrael, die nach Mizrajim **kommen**“ (Schemot 1,1). An diesem einen Wort bleiben viele **Mefarschim**, viele Ausleger, hängen. Warum steht da die Gegenwart? *Kommen* — sie waren doch längst dort.
Weil es sich anfühlte, als kämen sie noch einmal neu an. Nach dem Tod Josefs begannen die Mizrijim, mit ihren eigenen Mitbürgern anders umzugehen. Über Nacht waren die alten Nachbarn Zugereiste. Das gibt es bis heute — und es ist eine Frage an uns: Wie gehen wir mit Menschen um, die zugewandert sind und längst dazugehören?
Die Verfolgung kam nicht auf einmal. Sie kam in drei Stufen und schlich sich heran.
Zuerst starb Josef. Solange er in der Nähe war, hätte niemand gewagt, die Bnej Jisrael anzutasten. Dann starben Josefs Brüder, denn auch sie standen hoch im Ansehen. Jahre später lebte keiner mehr von den siebzig Nachkommen Jaakows, die nach Mizrajim gekommen waren. Solange sie lebten, war eine Sklaverei unmöglich: Sie waren so klug und so gefestigt, dass die Mizrijim sie mit ihren schönen Reden niemals dazu gebracht hätten, für sie zu arbeiten.
Der unmittelbare Anlass für die Verfolgung war ein anderer: Das jüdische Volk wurde sehr groß. In 210 Jahren wuchs es von siebzig Seelen auf mindestens drei Millionen Menschen. Die Tora sagt dazu, jeder sei „mit seinem Haus“ gekommen. Das heißt: Jeder blieb bei seiner eigenen Frau. Bei dem, was in Mizrajim schmutzig und falsch war, machte man nicht mit. So blieb ein wichtiges Stück unserer Volksidentität erhalten.
**Raschi** vergleicht die Bnej Jisrael mit Sternen. Wörtlich sagt er: Obwohl Jaakows Kinder mit Namen gezählt wurden, als sie lebten, werden sie noch einmal gezählt, nachdem sie gestorben sind. Das zeigt Haschems Liebe zu ihnen. Die Bnej Jisrael werden mit Sternen verglichen, „die mit Zahl in der Nacht leuchten und mit Zahl am Morgen wieder verschwinden“. So wurden auch die Bnej Jisrael immer wieder gezählt.
Und warum werden die Namen überhaupt genannt? Weil unsere Vorfahren wegen **vier Verdiensten** aus Mizrajim befreit wurden: Sie änderten ihren Namen nicht. Sie änderten ihre Sprache nicht. Sie machten bei der Unsittlichkeit Mizrajims nicht mit. Und sie verrieten einander nicht.
Die Namen aller Stammväter deuten auf die Befreiung aus Mizrajim.
**Reuwen** heißt auf Iwrit: *Haschem sah mein Elend.* **Schimon** heißt: *Haschem hörte ihr Weinen aus der Sklaverei.* **Lewi** heißt *begleiten*: Haschem begleitete sie auch in diesem bitteren **Galut**, in der Verbannung fern von zu Hause.
Hätten die Bnej Jisrael ihre Namen geändert, dann hätte sie nichts mehr an eine mögliche Befreiung erinnert. Sie hätten alle Hoffnung verloren und wären in Mizrajim vollständig aufgegangen.
Erinnerst du dich, wie aus Awram Awraham wurde — ein Buchstabe mehr, und der Name war ein Auftrag? Seine Urenkel in Mizrajim änderten ihre Namen nicht. Genau daran hing ihre Hoffnung.
… dass der brennende Dornbusch etwas Wichtiges darstellt? Zuallererst zeigt er, dass unser Volk immer bestehen bleiben wird. Der Dornbusch brannte zwar — aber er wurde nicht verzehrt und ging nicht kaputt!
… dass **Rabbi Bachja ibn Pakuda** sagt, der brennende Dornbusch symbolisiere das jüdische Volk? Denn Am Jisrael steht ständig in Feuer und Flammen, ist von **Zarot**, von Sorgen und Nöten, umgeben, hätte eigentlich untergehen müssen — und bleibt trotzdem bestehen. Das ist ein Wunder!
… dass die Bnej Jisrael nur **210** Jahre in Mizrajim blieben — und nicht 430, obwohl in der Tora die Zahl 430 steht? *(Schemot 12,40 — die Chachamim zählen die 430 Jahre von einem viel früheren Zeitpunkt an. )*
**Eli:** „Ihr habt eben gelesen, wie Rabbi Bachja ibn Pakuda den brennenden Dornbusch liest: als Bild für unser Volk. Aber das ist nicht die einzige Erklärung.“
**Channa:** „Ich habe noch eine andere schöne Erklärung gefunden. Nach unseren **Chachamim** bestand der brennende Dornbusch sowohl aus Brennnesseln **als auch** aus Rosen. Er steht für das jüdische Volk, das große **Zaddikim**, große Gerechte, und große Bösewichte hervorgebracht hat. In Mizrajim waren alle beide da. Der **Maharal** erklärt das so: Der brennende Dornbusch verweist auf *am keschee oref* — auf die jüdische Hartnäckigkeit. Hartnäckigkeit in **Jahadut** macht große Zaddikim, aber eben auch große **Rescha'im**, große Bösewichte. Und genau diese Hartnäckigkeit ist der Grund, warum es uns noch gibt. So wie der Dornbusch nicht verbrennt, so wird auch das jüdische Volk nie aufhören, sein Licht auszubreiten. Sogar in der Sklaverei Mizrajims.“
**Schem:** „Ich glaube etwas anderes: Für Mosche Rabbenu war der Dornbusch ein **Zeichen**, dass Haschem ihn geschickt hatte. Was das bedeutet, erklärt **Ibn Ezra**: Der Dornbusch stand am Fuß des Berges **Sinai**. Und der Auszug aus Mizrajim war dafür gedacht, Haschem am Sinai zu dienen und die Tora zu empfangen. Der Busch stand also schon am Ziel, bevor der Weg überhaupt anfing. Ich finde es ziemlich spannend, was nächste Woche alles geschieht — dann ziehen wir schon fast aus Mizrajim.“
Der Busch bestand aus Brennnesseln **und** aus Rosen, und der Maharal sagt: Dieselbe Hartnäckigkeit macht beide. Wie kann etwas, das Menschen groß macht, dieselben Menschen auch schlecht machen?
Schabbat Schalom!